Les 6D De Major Triad

<- Een volgende les…

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een Triad.

Ik vertelde in Les 19A al dat akkoorden eigenlijk een opstapeling vormen van noten. Als we twee noten spelen, dan hebben we het over een dubbele aanslag. Vanaf drie noten, dan hebben we het over een akkoord. De basis van een akkoord bestaat dan ook uit drie noten. Dit noemen we de ‘triad’ of ‘drie-eenheid’.

Bij de ‘triad’ tellen we vanaf de grondtoon of ‘the root’. De grondtoon is de noot die overeenkomt in naam met de naam van het akkoord. Bij het C akkoord is dit dus gewoon de noot C. Moeilijker is het ook niet. In de akkoordformule geven we deze noot aan met het cijfer 1. Als we kijken naar de akkoorden die we geleerd hebben en als we weten welke noten zitten op het fretboard van de gitaar in de eerste drie vakjes, dan kunnen we de grondtoon of tonen in het akkoord aanwijzen. Soms zit de grondtoon meerdere keren in het akkoord. De eerste grondtoon is waar het akkoord begint; de basnoot van waaruit het akkoord is opgebouwd.

Akkoorden zitten allemaal op éénzelfde manier in elkaar. We kunnen deze ‘bouwtekening’ voor elk akkoord schrijven met een ‘akkoordformule’. Zo spreken we van een ‘Major Triad’ voor majeur akkoorden waarvoor de akkoordformule 1,3,5 geldt. We kennen ook een ‘Minor Triad’ met weer een andere formule. De ‘Minor Triad’ is de basis van het mineur akkoord en ga ik behandelen in de volgende les. De basis van elk akkoord is dus de ‘Triad’ of ‘drie-eenheid’. Drie noten op elkaar. Vanaf dan spreken we van een akkoord.

Akkoordenleer is niet makkelijk. In Les 6B van het tweede jaar klassiek hebben we het al even over toonafstanden, intervallen en toonsoorten gehad. Ik geef even een korte herhaling, maar wil je de volgende theorie echt goed snappen, dan moet je dat verdomde tweede jaar klassiek toch al eens gezien hebben. Heb je nog niet het tweede jaar klassiek gedaan? Laat de theorie over akkoord-formules dan even hierbij (ook de komende 4 lessen). Zelf ben ik ook eerst de akkoorden gaan leren voordat ik snapte hoe ze in elkaar zitten allemaal. Geen probleem! Probeer de akkoorden te leren vanuit het akkoord overzicht van Les 11D en de voorbeeld songs  die ik noem onderaan de komende vier lessen.  Laat de tekst en uitleg even zitten. Voor leerlingen die wel al iets weten van kruizen, toonafstanden en toonsoorten vertel ik in de rest van deze les en volgende lessen hoe die akkoorden eigenlijk zijn opgebouwd.

Bijvoorbeeld het C akkoord:

Ik heb nu onder het akkoord niet de vingers geschreven die je moet gebruiken om het akkoord te maken, maar de verschillende noten waaruit het akkoord is opgebouwd. Als we bij de C met het cijfer 1 beginnen zien we dus dat de E het cijfer 3 is en de G het cijfer 5. Je ziet ook dat de grondtoon op de vijfde snaar ligt. De zesde snaar (de dikste snaar) doet dus niet mee!

A   B   C   D   E   F   G
.            1  (2)  3  (4)  5 = ‘the major triad’.

De gitaristen die ook het tweede jaar klassiek hebben gedaan kennen alle noten van de eerste drie vakjes (is dat zo?). Daarmee kan je de noten onderaan mijn akkoorddiagram controleren. Ook het G akkoord kan ik op dezelfde manier opbouwen.

A   B   C   D   E   F   G
(2) 3  (4)  5                1 = ‘the major triad’.

Het G akkoord moet dus bestaan uit G, B, D. Eens kijken of dat klopt… Jazeker!

The ‘major triad’ of ‘majeur drie-eenheid’ geldt wel natuurlijk alleen voor de majeur akkoorden of gewone akkoorden A, B, C, D, etc.) Voor andere akkoorden zoals de mineur akkoorden bestaat weer een andere formule. Logisch ook want die akkoorden worden weer anders opgebouwd.

De C, F en G in de toonsoort C(groot)

Met die laatste drie akkoorden is iets aan de hand. Als we gaan kijken welke noten in deze akkoorden zitten, dan zien we dat er ook kruizen in deze akkoorden voorkomen. Maar… we hadden net toch afgesproken dat de akkoordformule van majeur akkoorden 1,3,5 is? Dus als je begint op de grondtoon van het akkoord, de A, D of E, dan kan je toch alleen op andere hele noten uitkomen?

Dat vroeg ik mij dus af de eerste keer. Snapte er geen bal meer van. Het zit als volgt.

Als we naar de toonsoort van C(groot) kijken. Dan zitten hier geen kruizen in. Aan de kantlijn staan geen kruizen. Op de notenbalk komen ze dan ook niet voor. Kijk maar:

Met deze toonsoort en het stapelen van die noten kunnen we oa de akkoorden C, F en G maken (de F staat er even niet bij want hier hebben we een barré-greep voor nodig en heb ik net dus ook niet behandeld). Bij de C links hebben we nog genoeg snaren om het akkoord op te bouwen. Bij de C rechts niet meer. Maar A, D en E komen niet voor. Kennelijk horen deze akkoorden dus bij een andere toonsoort. Dat klopt, want deze akkoorden bevatten kruizen en komen dus niet voor in deze toonsoort. Maar waar vinden we deze akkoorden dan wel?

Hoe zat het ook alweer met toonafstanden?

Daarvoor moet ik eerst het begrip toonafstanden weer even naar voren halen. Voor het uitleggen van toonafstanden vind ik het altijd het makkelijkste om even te denken aan een piano. Bij een piano hebben we witte en zwarte toetsen. De witte toetsen geven hele noten en de zwarte toetsen halve noten (kruizen of mollen). Maar, we weten dat niet tussen elk paar witte toetsen een zwarte toets zit. Kijk maar:

Dus toonafstanden komen vaak overeen met noten, maar zijn dus iets anders en komen dus helemaal niet altijd overeen! Hoewel we bij de E en de F, de B en de C een hele noot verschuiven, ligt er slechts een halve toonafstand tussen deze noten. Want er bestaat nu eenmaal geen halve noot tussen deze noten. En ook op de gitaar bestaat er geen hokje tussen de E en de F, de B en de C. Kijk maar eens naar het plaatje hieronder. We zien de eerste drie hokjes op de hals van de gitaar. Links de dikste snaar, rechts de dunste snaar.

Dit komt precies overeen met de toetsen van de piano. Het gaat bij de akkoordformule dus niet om afstanden tussen de noten, maar het gaat om toonafstanden. Dat maakt het net even wat lastiger. Bij de ‘major triad’ gaat het bij de 1 en de 3 om een afstand van 2 hele tonen (niet noten!). Die tussenruimte noemen we dan een interval. Bij de 3 en de 5 hebben we bij de ‘major triad’ juist weer 1,5 toonafstand nodig. Bij het C akkoord gaat het dus zo:

We beginnen bij de grondtoon C. Dan hebben het interval van 2 toonafstanden. C, (Cis, D, Dis) E. We komen tot E. We noemen dit een grote terts of 2 hele tonen. Vanaf E moeten we vervolgens dus 1,5 toonafstand omhoog. We noemen dit een kleine terts of 1,5 toonafstand. Vanaf E (F, Fis) G. We komen tot de G. We hebben in totaal dan 2+1,5 = 3,5 toonafstand afgelegd. Van de C tot de G. We noemen dit interval een reine kwint. Zo komen we op de wel kloppende regel voor de ‘Major Triad’:

  • De ‘major triad’ in formule: 1,3,5.
  • De ‘major triad’ in toonafstanden: grondtoon +2; +1,5

Voor intervallen hebben we dus verschillende namen. We schuiven steeds een halve toonafstand op. Kijk maar eens terug naar de piano hierboven. In totaal hebben we zes toonafstanden voordat we weer bij de C komen. Van de C(1) naar de volgende C(2) stijgen we een octaaf. Misschien ken je dat woord wel. De andere toonafstanden staan hieronder:

0,5 = een kleine secunde
1 = een grote secunde
1,5 = een kleine terts
2 = een grote terts
2,5 = een reine (hele) kwart
3 = een verminderde kwint
3,5 = een reine (hele) kwint
4 = een kleine sext
4,5 = een grote sext
5 = een klein septiem
5,5 = een groot septiem
6 = een rein octaaf

Bij de akkoorden A, D en E komen we, als we de regels volgen, dus uit op kruizen of halve noten in het akkoord. Kijk maar in de volgende alinea.

De A, D en E in de toonsoort A(groot)

Voor het akkoord A starten we weer bij de grondtoon A. Als we dan 2 toonafstanden omhoog ‘lopen’ van A (Ais, B, C) Cis komen we dus uit op een Cis. Lopen we van een Cis nog 1,5 toonafstanden omhoog, dan komen we uit op (D, Dis) E. De volgende noten krijgen we dan voor de ‘major triad’ van A; de A, Cis, E.

Eens kijken hoe dat terugkomt in het akkoord van A (links boven hiernaast). Inderdaad, de drie noten A, Cis en E maken het akkoord A. Bij het A akkoord doet de zesde snaar dus niet mee, want het akkoord begint vanaf de 1e grondtoon. Ook niet spelen dus!

We kunnen alle CAGED akkoorden nog even langsgaan.

Bij het D akkoord krijg je de triad: D (Dis, E, F) Fis (G, Gis) A. Dus D, Fis, A. Het akkoord D start vanaf de vierde snaar.

Dan hebben we nog het akkoord E. De triad: E (F, Fis, G) Gis (A, Ais) B hoort bij het E akkoord. Dus E, Gis, B.

De akkoorden A, D en E kunnen we stapelen in een toonsoort die zowel het Fis, Cis en Gis kruis bevat. Anders komen we niet uit met stapelen, want dan zit er alsnog een noot in het akkoord die niet klopt. Dit is de toonsoort van A(groot).

Om de gitaar nu te kunnen vergelijken met piano geef ik ook hieronder de piano akkoorden weer mocht je beter onderlegd zijn op de piano. De C, F en G spelen we op de witte toetsen. Dit hebben we gezien. Ze horen allemaal bij de toonsoort van C. Voor de A, D en E hebben we toch echt de Cis, Gis en Fis (zwarte toetsen) nodig.

<- Een volgende les…