Les 7A De G-sleutel, 3/4e en 4/4e maat

 

<- Een volgende les…

De G-sleutel, 3/4e en 4/4e maat

In de vorige les hebben we de notenbalk geïntroduceerd. Vijf horizontale lijntjes waar we noten of andere muziektekens op kunnen zetten. De hoogte van de noot geeft aan welke noot gevraagd wordt te spelen. Niet alleen kunnen we aangeven op de notenbalk welke noot we willen horen. Ook kunnen we de toonduur opschrijven. Hier gaan we verder op in in de volgende les.

Aan het begin van elke notenbalk zien we een raar ‘kringel-ding’ staan. Dit is de sleutel. Hoewel er meer sleutels zijn gebruiken we bij gitaar de G-sleutel. De G-sleutel wijst op de notenbalk aan op welke hoogte de G noot zit.

 

 

 

 

 

 

 

 

De lijnen hebben dus helemaal niks met snaren van de gitaar te maken!!! Ook andere instrumenten gebruiken een notenbalk. We gebruiken gewoon een aantal lijntjes om daarop stippeltjes te tekenen. Met hoe hoog we die stippeltjes zetten weten we dan welke toon we op de gitaar bedoelen.  In het plaatje hierboven zie je dat de G-sleutel begint op de 4e lijn van boven. Op deze hoogte zit dus de G noot.

Maar… Dat is raar. We hebben net geleerd de vorige les dat de G noot in het derde vakje zit op de eerste snaar. En die G noot stond veel hoger! (hiernaast)

De G zit dus op meerdere plekken op de notenbalk! We hebben een G-noot op de plek waar de G sleutel begint, maar ook op de plek van de vorige les.

 

 

 

De G-sleutel begint dus op de eerste noot van de notenbalk hierboven. We kunnen dan omhoog ‘lopen’. G, A, B, C, D, E, F, … en G. We zijn nu dus van de onderste G naar de bovenste G ‘gelopen’. Als we dus één noot weten op de notenbalk, weten we zodoende dus ook de andere noten. Dit is wat de G-sleutel aan probeert te geven. Die ene G noot geeft de G-sleutel aan zodat we daarmee de andere noten af kunnen leiden op de notenbalk.

We zien nog iets raars. Halverwege de notenbalk klappen de stokjes van de noten om. Soms zijn er uitzonderingen op deze regel als we daarmee de notenbalk beter leesbaar kunnen maken, maar over het algemeen klappen de stokjes dus om bij de middelste lijn. Op de middelste lijn mag je kiezen of je het stokje omhoog of naar beneden schrijft.

Eigenlijk bestaan er twee soorten maten. Dit is de tweetelsmaat en de drietelsmaat.

Tweetelsmaten vind je vooral in marsen (muziek die vroeger bedoeld was het strijdgevoel of moreel van militairen hoog te houden). Deze muziek is te herkennen aan een sterk te herkennen ritme of cadans (het spelen van wisselende korte en lange noten).

De drietelsmaten komen vooral in walsen voor. Dit is van oorsprong Duitse dansmuziek met een nadruk op de eerste tel. (het hoem-pa-pa gevoel)

Door deze maten te combineren (bij elkaar op te tellen) krijg je met 2 en 3 tellen bijvoorbeeld 4 of meer tellen. De samengestelde maat. Bijvoorbeeld de 4/4 maat waarmee we zullen starten.

De 4/4 maat ziet je hiernaast. Op de afbeelding zie je na de G-sleutel twee 4’tjes boven elkaar staan. Je ziet ook vier noten in de maat staan. De bovenste 4 betekent dat we 4 tellen in de maat hebben. We leren de volgende les dat de noot die staat afgebeeld in de afbeelding hiernaast 1 tel duurt. Vier van deze noten duren dus 4 tellen. Dat klopt, want de bovenste vier gaf aan dat er 4 tellen in elke maat staan.

De betekenis van de onderste vier leg ik volgende les uit.

 

 

Hiernaast zien we de 3/4 de maat. De bovenste 3 betekent dat er 3 tellen in de maat zitten. Dat klopt ook. De noten die afgebeeld staan duren 1 tel, dus gezamenlijk duurt de maat 3 tellen.  

 

<- Een volgende les…